Hoe Hans Pieterse in de Elfstedentocht van 1997 verdwaalde op het Slotermeer en daarna een heldhaftige inhaalrace ondernam
Kort voor Kerst kelderen de temperaturen. Op de slootjes en vennen in het oosten en noorden des lands groeit een eerste laagje levend glas. Enkele waaghalzen stappen op het ijs en proberen een paar slagen te maken. Televisiereporters reppen van ‘een mogelijke Elfstedentocht’, zoals ze doorgaans doen na een paar nachtjes vorst. Bij de marathonrijders gaat het kriebelen als supporters tijdens de wedstrijd op kunstijs in Alkmaar roepen: ‘Zondag Veenoord’. Na afloop blijven de rijders op het ijs om nog even te praten. Rietdekker Van Kempen vertelt dat hij al eind november bij de boeren in Nieuwveen zijn oor te luisteren heeft gelegd: ‘Bij mij op het dorp waren er die zeiden: Richard, het wordt een harde winter. Vanaf dat moment wist ik dat het accent op natuurijs zou komen te liggen. Ik heb meteen mijn ploeg bijeengeroepen.’ (Van Kempen is leider van de Dasiaploeg die bestaat uit drie Noordhollanders en een Groninger: Bert Verduin uit Heemskerk, Rob van Meggelen uit Amsterdam, Hans Pieterse uit Diemen en Rudi Groenendal uit Oldehove.) De IJsclub Nieuw-Amsterdam/Veenoord heeft inderdaad weer de primeur. In de nacht van 21 op 22 december rijden Drentse gierkarren af en aan. Laagje voor laagje wordt het lauwe water op het grasveld gesproeid, in totaal 200.000 liter. Bij het krieken van de dag is het opgespoten baantje klaar: natuurijs met kunst en vliegwerk. Het publiek stroomt toe, het hele peloton is present en Peter de Vries wint Veenoord in een sprint met Ruud Borst. Pieterse is vierde, een aardige opmaat.
Hans Pieterse heeft het koud (eind 1996, fotograaf onbekend)
Het kriebelt In de donkere dagen na Kerstmis blijft het vriezen. De eerste kortebaanwedstrijden worden uitgeschreven. Duizenden tourrijders bladeren thuis door teletekst om te zien of er al KNSB-toertochten staan gepland. Het loopt storm in de ijzerwarenwinkels en sportzaken waar het bordje ‘SCHAATSEN SLIJPEN’ in de etalage hangt. Op Tweede Kerstdag schrijven de ijsverenigingen de eerste toertochten uit. En dan wordt het menens. Overal in Nederland vriezen de veenplassen dicht. Verslaggevers tijgen met tientallen naar Friesland en graven zich in langs de route van de Elfstedentocht. De woorden ‘Bartlehiem’ , ‘Bonkevaart’ en ‘beerenburg’ zijn niet van de lucht. Reporters kijken de ijsmeesters op hun vingers terwijl die boren en meten, wikken en wegen. Zij zijn het die zullen beslissen over roem en vergankelijkheid. Op dinsdag 2 januari wordt de Westlandmarathon georganiseerd met start en finish in Maasland. Als de rijders een ronde hebben afgelegd, roept de speaker om: ‘Attentie heren, de Elfsteden gaat door. Zaterdag aanstaande. Ik herhaal…’ De rijders komen allemaal overeind: It giet oan. Iedereen praat met iedereen. Komende zaterdag al! Met enige vertraging wordt de wedstrijd hervat. Een paar rijders stappen na een uurtje uit. Ze willen zich verder sparen. Er ontstaat een kopgroep van vijf: Angenent, Borst, Kleine, Gaasenbeek en Pieterse. De Zuid-Hollanders zijn de sterksten: Borst pakt de winst voor Angenent. Pieterse is derde. Na de wedstrijd steken de schaatsers de koppen bij elkaar. Iedereen praat over zaterdag. Huitema is enthousiast: ‘Hier doe ik het voor. Al word ik zaterdag honderdste, dit wordt de ervaring van mijn schaatsleven.’ Na enig aandringen noemt hij Verduin en Stam als mogelijke winnaars. Arnold Stam, die na een uur uit de wedstrijd is gestapt met de woorden: ‘De Elfstedentocht is belangrijker’, acht zichzelf inderdaad niet kansloos. ‘Ik lig al weken te woelen in bed.’ Maar hij beschouwt Bert Verduin en Erik Hulzebosch als de absolute favorieten. Die twee namen vallen vaak, soms in één adem met die van Henk van Benthem. Verduin tipt Kromkamp en Kleine. Piet Kleine beschouwt zichzelf niet als een kanshebber: ‘De laatste keer reed ik met een rugzakje op en kon ik rustig om me heen kijken. Daar zal het nu veel te hard voor gaan. Ik ben ook bang voor het donker. Ik bedoel om ’s ochtends vroeg in het donker te rijden. Daar schrik ik wel eens wakker van.’ Peter de Vries valt hem bij: ‘Dat is het nadeel van begin januari, er zijn maar weinig uren licht. Je moet wel een engeltje mee hebben, voor de zon opkomt.’ Hij noemt Ruud Borst een mogelijke winnaar. Zelf zegt die: ‘Laat de mensen eerst naar Angenent kijken.’ Volgens Henk Angenent, die nog nooit een tweehonderdkilometerwedstrijd heeft gereden, is Pieterse favoriet. Menigeen valt hem bij. En Pieterse zelf? Hij noemt ploeggenoot Verduin. Over zijn eigen kansen: ‘Die zijn er alleen als ik zonder kleerscheuren door het duister kom. De eerste drie uur is rennen en vliegen in het donker. Als ik dat overleef en iedereen dan nog bij elkaar zit, kan het leuk worden.’
De briefing Favoriet Erik Hulzebosch, die in 1986 hoog in een lantaarnpaal klom om de aankomst van Van Benthem waar te nemen, is helemaal niet in Maasland verschenen. De lieveling van de media is evenals de gebroeders Ruitenberg en Henk van Benthem al naar het noorden afgereisd. Zij verkennen het parcours in Friesland. In deze dagen moeten er keuzes worden gemaakt. Op dinsdagavond vindt in Heemskerk, de woonplaats van Bert Verduin, de laatste briefing plaats voor maar liefst veertig vrijwilligers die voor de ondersteuning van de Dasia-rijders zijn geronseld. De hulptroepen zullen donderdag over Friesland uitwaaieren om Groenendal, Van Meggelen, Pieterse en Verduin bij te staan. Bij elke stempelpost zullen vier man hen opwachten, voorzien van reserveschaatsen, handschoenen, sneeuwbrillen, eetzakjes met bananen en energierepen, en bidons met warme thee. De vrijwilligersposten staan met elkaar en met ploegleider Van Kempen in contact middels een noviteit: de mobiele telefoon! De PTT heeft toegezegd vijf extra steunzenders in Friesland op te zetten.
Naar Ljouwert In de dagen voorafgaand aan de tocht speculeren de media over de kanshebbers. De vrijdagkranten pakken met twee, drie pagina’s uit. De Volkskrant en De Telegraaf rekenen Pieterse tot de favorieten, het Amsterdamse Het Parool noemt hem niet. Intussen maken de vrijwilligers, de ijsmeesters en het bestuur van de Friesche Elf Steden overuren. Hetzelfde geldt voor reclame- en mediabureaus. Zij geven gezamenlijk zo’n 25 miljoen gulden uit. Ook zij doen een wedstrijd. De jongens die voor Unox werken, winnen glansrijk. Het halve publiek zal zaterdag de oranje muts van de worstenmaker dragen. Op vrijdag rijden de Dasiamannen naar Friesland. Pieterse: ‘Ik reed met Richard mee in zijn auto. We logeerden in Hotel E10 in Rijperkerk, achter Leeuwarden.’ Favoriet Bert Verduin is woensdag al naar de Friese hoofdstad vertrokken. Hij heeft de omgeving van het Zwette verkend, waar de rijders zaterdag in het donker naar de start moeten hollen. Verduin is in topvorm. Bovendien heeft hij voldoende tijd gehad om op natuurijs bij te trainen, want in de winter is het niet zo druk in zijn werk, de bloementeelt. ’s Avonds voert de Dasiaploeg op de kamer van Van Kempen de laatste tactische bespreking. ‘De afspraak werd: we rijden als ploeg, maar de Elfstedentocht is de kans van je leven en niemand hoeft die voor een ander op te offeren. Het kwam er dus op neer: we rijden voor ons zelf, maar niet tegen elkaar. Iedereen was het daarmee eens.’ De Slagerploeg is in hetzelfde hotel gelegerd en onder het eten ziet Pieterse ploegleider Co Giling steeds naar de voordeur kijken. ‘Dat was vanwege Frans de Ronde. Mijn vroegere Amsterdamse ploegmaatje was te laat. Wat bleek nou? Frans was op z’n eigen ontspannen manier naar Friesland gereden en zocht op de ANWB-borden naar het woord Rijperkerk. Maar in Friesland staat er natuurlijk Ryptsjerk en daar dacht Frans niet aan. Dus is hij veel te ver doorgereden en arriveerde pas na het eten.’ Vanaf negen uur is het doodstil in het hotel. Intussen komt het feest in de cafés van Leeuwarden op gang. Een hele parkeergarage wordt voor de opvang van dronkaards vrijgehouden. Dat ontlast de ziekenhuizen die de handen vrij willen hebben voor de rijders morgenochtend.
4 januari 1997 - De start In de kamer van Henk Angenent – zijn hotel staat in Eernewoude -, gaat om twee uur de wekker. In Hotel E10 in Rijperkerk klinkt om half drie het eerste gestommel. Pieterse komt in trainingspak naar de eetzaal. ‘Ons ontbijt bestond uit een groot bord blanke spaghetti, boterhammen en een beetje yoghurt met muesli. Het was zoals voor elke wedstrijd. En ik nam één mok koffie, meer niet. Dat hoorde voor mij bij het ritueel. Ik dronk alleen koffie voor een wedstrijd, verder nooit. Het was stiller aan de tafels dan voor een normale wedstrijd. Na het ontbijt gauw aankleden, ik trok vijf lagen aan, thermisch met windstopper, verder vaseline op de tenen, tape om de neuzen van de schaatsen, windbescherming op de borst en de benen en voor mijn kruis twee Craft-broekjes met windvanger. Dan alle losse spullen meenemen, bivakmuts niet te vergeten, snel de auto’s in en hup naar Leeuwarden.’ Om half vijf betreden de eerste rijders de startlocatie. Naast de onlangs half afgebrande Frieslandhal is voor de veehandel een grote tent neergezet. Gisteren stonden hier nog koeien. De firma Verno uit Drachten heeft in de tent hekwerk aan elkaar gelast tot een ijzeren kooi, met aan één kant een poort. Hierin verzamelen zich de meer dan tweehonderd wedstrijdrijders uit alle categorieën die op de start staan te wachten. Buiten is het min 10 graden Celsius. Min 24 gevoelstemperatuur, zeggen journalisten: vanwege de harde oostenwind. Binnen is het niet onbehaaglijk. Televisie- en flitslampen verlichten de dik aangeklede mannen en vrouwen achter de tralies. In de kooi ruikt het naar uierzalf, massageolie en koeienstront. Sommige schaatsers staan te trappelen. ‘Een paar hadden een klapstoeltje meegenomen, zo’n dingetje om op te vissen. We moesten lang wachten, dus we hadden drinken bij ons. En dan is het een heel simpel verhaal: op het moment dat je moet piesen sta je in een kooi waar je niet meer uit kunt, dus je piest in een lege bidon. Voor dames lag dat moeilijker. Ik weet dat een aantal van hen incontinentieverband droeg om toch maar iets te kunnen regelen, zeg maar.’ Met hun sneeuwbrillen en bivakmutsen op zijn de rijders moeilijk te herkennen. ‘Met natuurijs droeg ik altijd een bivakmuts. En ik had een snor en een baard, want zolang het vroor, schoor ik me niet. Bijgeloof.’ De ervaren Henri Ruitenberg staat vooraan, met naast zich Heideman en enkele minder bekende deelnemers. De kleine hardloper Verduin heeft zich laten wegdringen. Pieterse, startnummer 00050, staat op de tweede rij op het stro. ‘Ik stond goed van voren. ’t Was dringen daar, ik kon geen kant meer op. Ik zag de cameraploegen langstrekken op weg naar Hulzebosch. Om me heen stonden opvallend weinig jonge rijders en heel veel ouderen. Wat doen die hier? dacht ik, het lijkt wel een bejaardenhuis. Blijkbaar mochten alle veteranen die lid van de Vereniging waren en een KNSB-licentie hadden, aan de wedstrijd meedoen. En de meeste wilden vooraan staan alsof ze konden winnen. Voor ons A-rijders was dat een beetje vervelend.’ De spanning stijgt. ‘Nog vijf minuten voor de start, werd er geroepen. Ik dacht: Nog even en ik krijg mijn eerste kans in een echte Elfstedentocht.’ Om 5:30 uur vuurt de commissaris van de koningin het startschot. De hekken slaan open, het vee wordt na anderhalf uur wachten gelost. De rijders hollen de ijzige kou in. ‘Toen wij door dat luik naar buiten holden, dat was ongelooflijk. Ik had even het gevoel dat ik een filmster was. Dat is werkelijk waar, ‘t was zo geweldig... Dat gejuich van die mensen,- onbeschrijflijk! En ook sommige jongens in de kooi, die begonnen te juichen!’ Het hele 1900 meter lange looppad naar de Zwettehaven is afgeperkt met dranghekken die de duizenden vroege toeschouwers op afstand houden. ‘1900 meter, dat is een heel stuk, hoor! Ik kan redelijk lopen maar tegen hazen als Verduin en Veldkamp leg ik het af natuurlijk. Maar ik liep harder dan ik ooit gedaan heb. Het was rennen voor je leven. Net Pamplona, weet je wel? Alsof de stieren achter ons aan zaten. En de kou sloeg in mijn gezicht. Die windkracht 5, dat voelde je meteen.’ Met de schaatsen in de hand bereiken de rijders het Zwette. Patrick Snijders, een Brabander, gaat als eerste op een bankje zitten om de schaatsen onder te binden. Bert Verduin komt als tweede aangehold met vlak achter hem Bart Veldkamp. Pieterse is niet ver achter. ‘Ik kom aan en zie al die bankjes op het ijs. D’r zitten er al een paar. Ik ga zitten en je moet weten: ik ben altijd traag in het schaatsen aantrekken. Maar nu moet ’t snel. En goed. Ik moet er tweehonderd kilometer mee kunnen rijden!’ Terwijl Pieterse zit te strikken en te knopen, rijden Patrick Snijders en de Fin Lauri Paalasmaa het haventje uit, als eersten. Pieterse is nog niet klaar. ‘Dat trekken aan die veters, was – dat durf ik gerust te zeggen - de grootste stress die ik ooit in mijn leven gevoeld heb. Ik zit on-Fries te vloeken. Alleen maar: godver, godver, godver. Op dat moment komt Frans de Ronde, mijn gabber, naast me zitten. Hans, jongen, doe toch ’s rustig!Ik ben van de actiegroep Hak ’n wak, zei hij altijd.Uit mijn ooghoek zie ik al diverse jongens wegrijden. Stress, stress, stress. Maar uiteindelijk zitten mijn veters goed, hoezen erom heen. Rijden!’ Als Pieterse het Zwette oprijdt, heeft hij een minuut achterstand op de eersten.
1e stad: Sneek, 22 km Op de goed verlichte vaart ziet hij Peter de Vries naast zich. Na Brug Nr. 33 duiken ze rechtsaf het donker in. Voor hen uit beweegt een licht. Het is de mijnwerkerslamp op het hoofd van Fausto de Marreiros. ‘Door die grote straal op het ijs waren alle scheuren zichtbaar. Peter en ik besloten daarachter te blijven. Fausto scheen op het ijs, wij zagen het goed en zaten in zijn luwte. Twee vliegen in één klap.’ Na circa 7 kilometer sluit Piet Kleine aan. ‘Met die vier man gingen we in de achtervolging.’ Het hele traject naar Sneek over het Zwette is pikdonker. De schaatsers worden door de harde oostenwind vooruit geblazen en racen met soms wel 50 kilometer per uur door de duisternis. Ondanks dat vrijwilligers scheuren met fakkels bijlichten, is het een uiterst hachelijke situatie. De rijders klopt het hart in de keel. ‘Het eerste stuk was volle bak rijden. We hadden een minuut achterstand. Vergis je niet, met dat hoge tempo is dat een verschil van 800 meter.’ De stempelpost in Sneek is verlicht. Onder de televisielampen doemt de schilderachtige Waterpoort spookachtig op. Er staat op dit vroege uur opmerkelijk veel publiek langs de kant. Om tien over zes meldt Paalasmaa zich als eerste aan de stempeltafel, op de hielen gezeten door Edward Hagen (uit Lisse) en Remco Boonstoppel (een nog vrij onbekende A-rijder uit Maarssen). Ze worden na een paar tellen gevolgd door onder anderen Veldkamp en Angenent. Direct daarna doemt een kwartet op met Pieterse, die bezig is met een succesvolle inhaaloperatie: ‘Vlak na de eerste stempelpost sloten we met z’n vieren bij de voorsten aan. We hadden een minuut achterstand goed gemaakt. We zaten vooraan! ’ Alleen Paalasmaa, Haagen en Boonstoppel hebben nog een kleine voorsprong. De rijders moeten wennen aan het stempelen, dat chaotisch verloopt. ‘Ik moest hard remmen, goed uitkijken en tegelijkertijd mijn kaart onder mijn pak vandaan halen. Dat was een gedoe.’ De stempelkaart van Pieterse is in een apparaatje gestoken dat uit de langlaufsport is overgenomen: je moet de kaart uit een hoesje trekken waar hij, als je hem na het stempelen loslaat, door een elastiekje weer in terugspringt. Andere rijders hebben de kaart simpelweg op hun mouw geplakt; zij hoeven alleen maar hun arm naar de stempelaar uit te steken.
2e stad: IJlst, 26 km Na het eerste kluunwerk over kundig getimmerde houten bruggen worden de voorsten ingelopen en vormt zich een grote kopgroep van een man of vijfentwintig. Dasia is er met alle vier rijders in vertegenwoordigd. Vanaf Sneek is het maar 4½ kilometer naar de tweede van de elf steden, waar de volgende stempelpost op de rijders wacht. Op de Geeuw gaat het met rugwind oerend hard. Tegen half zeven davert Hulzebosch als eerste IJlst binnen. IJsschraapsel spat op als hij voor de tafels remt. Na hem volgt de rest van de grote kopgroep. De toeschouwers klappen. De sfeer is gemoedelijk. Op dit uur is nog bijna niemand dronken.
3e stad: Sloten, 40 km Het is nog altijd donker als de rijders hun weg naar Sloten zoeken, verder zuidwaarts. Na de Wijde Wijmers is er alleen in de dorpen Heeg en Woudsend kunstlicht. ‘Maar het laatste stuk voor het Slotermeer was pikke-, pikkedonker, met bomen aan één kant. Er werd gedemarreerd. Ik reed vlakbij Lammert en ik kan aardig vloeken, maar Lammert, die is nachtblind, die vloekte onophoudelijk. Er ontstond een splitsing in de groep. Ik hoorde ze wegrijden, maar ik dorst niet mee. Het was daar heel riskant, ik was er benauwd voor.’ Maar ja, hij had makkelijk praten. Zelf had hij geen ambities. Hij haatte natuurijs. Onderweg naar Workum. Foto: Nos
Zo mist Pieterse de ontsnapping van Angenent, Hulzebosch, Verduin en enkele anderen. Op het Slotermeer, een weidse, inktzwarte vlakte, is de richting moeilijk te bepalen. De wind heeft de weinige sneeuw weggeblazen. Op natuurijs markeren gewoonlijk twee sneeuwranden de route. Nu is de baan met fakkels en takkenbossen afgezet, maar de harde oostenwind heeft de fakkels uitgeblazen en de Gaasterlandse takkenbossen zijn nauwelijks zichtbaar. Huitema rijdt de takken in, valt, kneust een teen, maar krabbelt weer op. De Fries Jan Bakker (uit het Friese Wijnjewoude) gaat twee keer hard onderuit, maar ook hij kan de tocht vervolgen. Midden op het meer priemen twee lichten de rijders al van verre tegemoet. De groepen schaatsen daar maar naar toe. Langzaam tekenen zich de koplampen af van een auto. ‘EHBO’ staat erop. Maar waar moet men van hier af naartoe? De groep Angenent rijdt eerst de verkeerde kant op voor ze het spoor naar Sloten vinden. Even later komen Pieterse en kompanen bij de koplampen aan. ‘We wisten niet of we vanaf die auto naar rechts of naar links moesten. Ik verwachtte dat de Friezen in onze groep de weg wel zouden weten, maar dat viel tegen. We zijn op dat rotmeer wel drie keer de verkeerde kant uitgereden. Nee, dat was verschrikkelijk.’ Ondertussen rijdt Van Kempen op de motor Sloten binnen. De ploegleider zit achterop bij de man van Klasina Seinstra, favoriete bij de vrouwen. Ze zijn erin geslaagd om de files bij Leeuwarden heen te laveren. Heel Friesland zit vast. De twee hebben zelfs een stuk spoorlijn op de motor moeten berijden, hobbelend over de bielzen, om het parcours te kunnen bereiken. In Sloten gaan ze op een rustig punt staan wachten. Van Kempen draagt een rugzak met reserveschaatsen. Na het Slotermeer blijkt er een kopgroep te zijn ontstaan met vijf favorieten: Hulzebosch, Angenent, Verduin, Kleine en Kramer. Even na kwart voor zeven rijdt dat vijftal Sloten binnen. De eerste die zijn stempelkaart op de tafel drukt, is Henk Angenent, dan volgen de beide Ruitenbergs en Peter de Vries. Na korte tijd arriveren nog zeven rijders, maar Pieterse is daar niet bij. Door het angstige avontuur op het meer is hij opnieuw achterop geraakt. Vanaf de kant wordt Pieterse door Richard van Kempen geïnformeerd: ‘Drie minuten’ en hij roept hem na: ‘Het kan nog!’ Dan tuft de motor weer de kou in. Pieterse: ‘Dat Richard drie minuten riep, dat was een harde klap in mijn gezicht. De koers is gelopen, dacht ik, het is bijna niet meer te doen’ . . . Joop Hart
Is de achterstand van Hans Pieterse, die hier Harlingen binnenrijdt, te groot geworden? (Foto: NOS).
Zie voor het vervolg: (de heldhaftige achtervolging tussen Bartlehiem en de Bonkevaart en de eindsprint om de zesde plaats tussen Yep Kramer, Hans Pieterse en Ruud Borst):
Joop Hart, Geef mij maar natuurijs – Het bewogen schaatsleven van marathonkampioen Hans Pieterse, Amsterdam (Uitgeverij Zijwaarts), december 2006. ISBN 978-90-8834-006-2